Samen bomen knuffelen - blog Erwin Mantel

Sinds enkele maanden bezoek ik een 93-jarige bewoonster binnen één van de locaties van Charim in Zeist. Begin dit jaar leek het erop dat zij nog maar kort te leven had. Mevrouw was bedlegerig en dronk minimaal. Ook gaf ze aan dat het leven voor haar wel klaar was en dat het van haar niet lang meer hoefde te duren. Mevrouw keek ernaar uit om door God opgenomen te worden in de hemel.

Tegen ieders verwachtingen in, God is ondoorgrondelijk, begon mevrouw meer te eten en te drinken en kwam ze ook weer uit bed. Een verder herstel volgde. De gesprekken die ik tijdens mijn bezoeken met mevrouw had gingen over het leven, de taken die ze had en die ze nu niet meer kon vervullen. Voor haar bestonden die taken uit het opvoeden van haar kinderen, het huishouden en de tuin onderhouden. Nu kan ze die niet meer vervullen en de toenemende afhankelijkheid valt mevrouw erg zwaar. Dan is het lastig om positief te blijven, hoewel ze erg dankbaar is voor de liefdevolle verzorging. Aan het eind van mijn bezoeken las ik op verzoek van mevrouw voor uit de bijbel. Hier haalde zij kracht uit. Bij het afscheid bedankte mevrouw mij telkens voor mijn tijd en luisterend oor. Voor mijn gevoel deed ik niets, maar de kracht van oprechte aandacht is groot.

Het is begin mei en ik ga weer op bezoek. Het is een prachtige lentedag en ik vang de warmte van de zon op. Mevrouw reageert verrast bij mijn binnenkomst. Ze is blijkbaar vergeten dat ik haar zou komen bezoeken. Ze nodigt mij uit om te gaan zitten aan de ronde eetkamertafel. Ik vraag aan mevrouw hoe het vandaag met haar gaat en ik krijg als antwoord: ‘Iedereen gaat erop uit met dit mooie weer, behalve ik’. Ik had bij binnenkomst de rolstoel in de gang zien staan en ik vraag of ze het fijn zou vinden om even naar buiten te gaan. Opnieuw een verraste blik, gevolgd door een overtuigend: ‘Ja’. Tien minuten later, nadat de verzorging op de hoogte was gebracht, staan wij buiten. Ik vraag welke kant ze op wil en mevrouw zegt graag bomen te willen zien. Ik stel voor naar het vlakbij gelegen bos te gaan.

Vijf minuten later worden we door een groen bordje van het Utrechts Landschap welkom geheten en amper drie meter verder moet de eerste boomwortel al getrotseerd worden. Manoeuvrerend om de wortels en soms voorzichtig er overheen, hobbelt mevrouw dapper door het bos. Ik twijfel of dit een goed plan is maar mevrouw zegt stellig dat ze het bos in wil en geen last van het gehobbel heeft. Ze kijkt om zich heen en zegt de eerste twee minuten alsmaar: ‘Wat is het hier mooi, wat prachtig!’ Mevrouw geniet voor tien. Ze kan zich niet herinneren wanneer ze voor het laatst in het bos is geweest en samen noemen we de namen van de bomen. Een beuk met jong groen blad, een den, even verderop de witte bast van een berk. Omhoog kijken is voor mevrouw een beetje lastig en hierdoor heeft ze haar blik vooral gericht op de stammen. De grote verschillen van stammen vindt ze fascinerend. Vooral de ruwe, geschubde bast van de den is bijzonder. Ik vraag aan mevrouw of ze de stam zou willen voelen en even later parkeer ik de rolstoel tegen een den. ‘Moet je voelen hoe ruw en hard de bast is!’, zegt mevrouw. ‘Aan de ene kant hard en beschermend, maar aan de andere kant ook kwetsbaar omdat je gemakkelijk een stuk bast kan afbreken’. Na enkele aanmoedigingen van mevrouw voel ik enigszins schuchter ook de stam.


“Ik stap over mijn gêne heen en samen knuffelen we enkele bomen voor we het bos uitlopen.”

Een man met een hondje wandelt voorbij en kijkt met argwaan naar ons, maar loopt zonder iets te zeggen door. Het is ook geen alledaags beeld om twee mensen uitgebreid en aandachtig een boom te zien ‘knuffelen’ en ik begin te glimlachen. Ik stap over mijn gêne heen en samen knuffelen we enkele bomen voor we het bos weer uitlopen. Terug in haar appartement bedankt mevrouw me voor de fijne wandeling.

De volgende dag loop ik, samen met de teamleider van de locatie waar mevrouw woont langs de gezamenlijke ontmoetingsruimte waar ik mevrouw zie zitten. Lachend zwaait ze naar mij en wenkt mij om te komen. Mevrouw vraagt of ik last van spierpijn heb door het duwen van de rolstoel. En ik vraag mevrouw of ze last heeft van haar billen van al het gehobbel. Lachend constateren wij dat we allebei nergens last van hebben. ‘Wat was het fijn gisteren!’ En ja, dat was het.

Drie weken later, tijdens mijn vakantie, is mevrouw vrij snel overleden. Ik besef dat ik niet alleen iets aan haar heb gegeven maar dat zij ook iets aan mij heeft gegeven: ik kijk met andere ogen naar een denneboom en verwonder me nog meer over de veerkracht en de kwetsbaarheid van de natuur. Wat zou ik haar graag willen vertellen dat ze tot het einde toe nog steeds een taak heeft vervuld door mij dit te geven. Glimlachend zie ik het argwanende gezicht van de passerende man met zijn hondje weer voor me en besef dat werken in de palliatieve zorg prachtig is.

Erwin Mantel
Juni 2016

Samen bomen knuffelen - blog Erwin Mantel